Provincies willen vergunningen Ter Horst intrekken

De provincies Gelderland en Overijssel willen de vergunningen van afvalverwerker Ter Horst intrekken en lopende vergunningaanvragen weigeren. De provincies willen daarmee voorkomen dat de vergunningen gebruikt worden voor criminele activiteiten.

Het ontwerpbesluit komt voort uit eigen onderzoek en adviezen van het Landelijk Bureau Bibob. Met de Wet Bibob kunnen overheden tegen gaan dat ze ongewild criminele activiteiten mogelijk maken. Uit het onderzoek naar Ter Horst komt naar voren dat er een ernstig gevaar is dat het bedrijf de vergunningen zal gebruiken voor criminele doeleinden. Daarbij gaat het vooral om de leiding en niet om de medewerkers of de locatie.

Intensief toezicht

Ter Horst heeft in 2006 in Gelderland een vergunning gekregen voor afvalwerking in Varsseveld. In Overijssel is voor de locatie Goor de vergunning eind 2009 verleend. Voor de hoofdvestiging in Varsseveld geldt dat al lange tijd door Omgevingsdienst Regio Arnhem intensief toezicht wordt gehouden op naleving van de regels en handhaving bij overtredingen.

Maatregelen

Door bestuurlijke maatregelen te nemen, zoals dwangsommen en extra controles, is de afgelopen jaren geprobeerd het bedrijf op het juiste spoor te krijgen. Het bedrijf heeft aanpassingen gedaan, maar de zorgen over naleven van de regels en daarmee de risico’s voor volksgezondheid vanwege brandgevaar en milieuverontreiniging, blijven.

Afvalverwerker

Ter Horst is een afvalverwerker met het hoofdkantoor in de gemeente Oude IJsselstreek (Gelderland) en een nevenvestiging in de gemeente Hof van Twente (Overijssel). De provincies Overijssel en Gelderland zijn bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen en voor toezicht en handhaving.

Wet Bibob

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) is in het leven geroepen om overheden te beschermen tegen het (onbewust) faciliteren van witwassen en criminaliteit. Bij een aanvraag voor onder andere omgevingsvergunningen milieu en bouwen, maar ook bij bestaande vergunningen, kunnen overheden onderzoeken of ze te maken hebben met een integere partij die niet in relatie staat tot strafbare feiten. Daarbij gaat het om de vraag of er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning gebruikt wordt voor het witwassen van geld of voor het plegen van criminele activiteiten.